KNKB > Spelmateriaal

De attributen van de kolver

Bal

Er zijn twee soorten ballen;
de gummi/rubber- en sajetbal

Gewicht
Gummibal tussen de 500 en 1.000 gram
Sajetbal tussen de 200 en 400 gram
Grootte
Gummibal tussen de 9 en 13 cm doorsnede
Sajetbal tussen de 6 en 8 cm doorsnede

Kliek

Ook hier zijn weer twee soorten te vinden n.l. de gummi- of sajetkliek. Kliek is ook de aanduiding voor het kromme uiteinde van het slaghout, welke in vorm iets lijkt op de hockeystick.
Let op de juiste lengte en gewicht van de kliek
Lengte is afhankelijk van de houding die je aanneemt en varieert tussen de 90 en 120 cm
Gewicht en vorm is afhankelijk van de gebruikte gummi- of sajetbal

Schoenen

Een gepast schoeisel die goed zit en nauw aangesloten is aan uw voeten is een must. Let er op dat ze niet te klein zijn, zodat uw voeten niet gekneld worden. De schoenen zijn voorzien van een stroeve zool voor een stabiele stand bij het slaan.

Kleding

Het voornaamste is dat kleding prettig zit en genoeg bewegingsvrijheid geeft
Voorkom belemmerende attributen - bv te grote riemsluiting, sieraden etc.

Baan

Het kolfspel wordt gespeeld op een overdekte kolfbaan, meestal 17.5 meter lang en 5 meter breed, volkomen vlak en afgezet met rabatten. Aan beide uiteinden staat op twee meter van de kant een paal schuin in de grond geslagen.
Getekende lijnen in de nabijheid van de achterste paal zijn voorzien van cijfers. Het hoogste getal is twaalf en staat aangegeven in de lijn die het dichtst bij de achterzijde ligt.

Techniek

Zoals bij iedere sport wordt de basis gevormd door de techniek. Hiervoor zijn regels aan te geven en de techniek is voor iedereen te leren.
De belangrijkste kunst in het kolven is het geven van het juiste effect met de bal op de paal, in de juiste snelheid.

Concentratie

Wil men echt goede resultaten behalen, dan staat bij iedere slag uiterste concentratie voorop. In hoeverre men daarin slaagt, hangt sterk samen met de eigen instelling en geaardheid.

Houding (voor rechtshandige)

 Als men rechtshandig is, stelt men zich links van de voorpaal op. De bal legt men op het hart van de        voorlijn of achter de voorlijn
 Met beide voeten op gelijke hoogte staat men haaks op de denkbeeldige looprichting van de bal
 De knieën worden iets doorgebogen
 De kliek vlakbij de bal plaatsen, onder een hoek van 70 tot 80° naar de bal toe.
       De linkerhand houdt het scharnierpunt vast, de rechter slaat
 Tijdens de slag houdt men het bovenlichaam stil en blijft men in de houding staan tot de bal        geslagen is.